Filosofisch opruimen


Heeft opruimen met filosofie te maken? Opruimen is immers vooral een praktische bezigheid, terwijl filosofie, wijsbegeerte vind ik een mooier woord, als theoretisch en abstract wordt gezien. Sommigen – hoe oneerbiedig – vinden filosofie zelfs slechts tijdverdrijf voor mensen die met hun hoofd in de wolken lopen.
Hoe kan filosofie dan ‘neerdalen’ naar ons leven van alledag? Wat kunnen we uit de wijsbegeerte gebruiken om als steun te dienen bij het organiseren van onze leefomgeving?

Ieder van ons heeft op de een of andere manier overtuigingen die het leven richting geven. Zo kunnen we ideeën over de zin van ons bestaan hebben, of in ieder geval daarnaar op zoek zijn. Of geloven we dat er wel of geen God is, zijn we ons bewust van goed en kwaad of maken we ons de laatste tijd misschien wel druk over de klimaatcrisis en onze rol daarin als aardbewoners.
Een kenmerk van filosofie is dat het fundamentele, en vaak ongemakkelijke vragen over het leven stelt.

In een kunstwerk van Do Ho Suh (foto: Jeroen Teeuwisse)

Ken uzelf

De Griekse filosoof Socrates leefde van 468 tot 399 voor Christus. Hij was vooral geïnteresseerd in de kennis over het denken. Hij sprak met allerlei mensen en tijdens die gesprekken zocht hij samen met zijn gesprekspartners naar kennis. Dit deed hij door ideeën van alle kanten te testen door middel van vraag en antwoord. Met zijn vragen haalde hij bij iemand naar buiten wat al in hem of haar aanwezig was. Zijn belangrijkste motto was ‘Ken uzelf’.
Socrates stond bekend als ‘de horzel’, een bijnaam die hij kreeg door de manier waarop hij die onderzoekende gesprekken voerde, vaak opdringerig en volgens sommigen irritant. Het bestuur van Athene veroordeelde hem tot de dood om zijn non-conformistische opvattingen en zijn slechte invloed op de jeugd: hij leerde de jeugd namelijk om kritisch te denken.
We weten alleen uit de tweede hand iets over Socrates, zelf liet hij geen geschriften na. Plato, een van zijn bekendste leerlingen heeft veel over zijn leermeester geschreven.

The Death of Socrates
Jacques-Louis David (French, 1748–-1825)

Wij hebben het tegenwoordig over de ‘Socratische methode’: door middel van bepaalde vragen in iemand de kennis naar boven halen die hij of zij al heeft.
Hoe ga jij te werk, heb je een bepaalde visie over opruimen en organiseren? Met welke ogen kijk je naar je huis, naar de ruimte die je wilt gaan ordenen?
Als je bijvoorbeeld een aanhanger bent van de methode van de Japanse Marie Kondo, gebruik je die dan alleen als inspiratiebron of volg je de regels van A tot Z?
Wat zet jou aan tot opruimen? En wanneer vind je het goed genoeg? Hoeveel tijd trek je ervoor uit? Doe je het alleen of samen? Wat zijn je gedachten tijdens het opruimen? Ken jij jezelf als het gaat om het uitvoeren van allerlei taken in je leefomgeving?

Knagende ratten

Het uitpluizen van je eigen gedachten en ideeën, Socratisch op zoek gaan naar wat je al weet, doet mij ook denken aan de methode van Paul Loomans: Ik heb de tijd – een handleiding in tijdsurfen.
Een van zijn aanwijzingen is je bewust worden van ‘knagende ratten’ en ze transformeren in ‘witte schapen’.

Wat zijn knagende ratten?
Iedereen heeft wel van die klussen die hij voor zich uit schuift, bijvoorbeeld de belastingaangifte doen, de zolder opruimen, een lastige e-mail schrijven. Je hebt er last van dat je het alsmaar uitstelt om eraan te beginnen, het kan je zelfs uit je slaap houden. Om ervoor te zorgen dat je de klus toch krijgt geklaard, ga je hem met de methode van Tijdsurfen eerst verkennen. Nog niet eraan beginnen, maar eerst een paar vragen beantwoorden:

– Wat weet ik al wel, wat kan ik al wel?
– Hoe zou ik eraan kunnen beginnen?
– Wat weet ik nog niet? Wat ontbreekt er?
– Heb ik hulp nodig en/of moet ik eerst meer kennis erover verwerven?
– Zie ik ergens tegenop omdat er iets in de taak zit dat me onrustig maakt?

Vervolgens ga je een film afspelen in je hoofd, waarbij je jezelf ziet terwijl je de taak uitvoert. Als er spanning mee gepaard gaat, kun je die ook voelen terwijl je ernaar ‘kijkt’. Hierdoor ga je een relatie aan met datgene wat aan je knaagt: je laat het van alle kanten op je inwerken en vervolgens laat je het los.
De rat is nu gestopt met knagen en is veranderd in een volgzaam wit schaap. Er volgt binnen afzienbare tijd als vanzelf het juiste moment waarop je eraan toe bent om de taak uit te voeren.
In de methode Tijdsurfen zijn er in totaal zeven aanwijzingen.

Identiteit

Als je iets wilt veranderen aan je (opruim)gewoontes kun je ten slotte, behalve jezelf op Socratische wijze te (laten) ondervragen, je ook laten inspireren door James Clear, auteur van het boek ‘Elementaire gewoontes’ (2019).
Hij stelt dat wanneer je iets aan je gedrag (of gewoontes) wil veranderen, je je eerst moet afvragen wie je wilt zijn, welke identiteit je nastreeft. Als je dat weet dan kun je het gedrag kiezen dat bij die identiteit hoort. Elke keer dat je dat gedrag in de praktijk brengt bewijs je aan jezelf dat je – stapje voor stapje – bezig bent de persoon te worden die je wilt zijn.
James Clear onderscheidt veranderingen op het gebied van gedrag, van proces en van identiteit. Bijvoorbeeld het verkrijgen van een opgeruimd huis is het resultaat van je gedrag. Iedere dag gaan opruimen is een proces (de gewoonte ontwikkelen elke avond de eettafel op te ruimen).
Jezelf gaan zien als een opgeruimd persoon is een identiteitsverandering. Dit laatste vormt de basis voor het daadwerkelijk veranderen van je gedrag.

Membrane, 1986
Antony Gormley (foto: Jeroen Teeuwisse)

Als mens ontwikkel je inzichten en denkbeelden over jezelf en die kunnen per situatie verschillen. We hebben bijvoorbeeld een identiteit als ouder, als partner, als werknemer of natuurliefhebber. Zo hebben we ook een identiteit als beheerder van onze leefomgeving: ons huis, de tuin.
James Clear: wanneer we onszelf nieuw gedrag proberen aan te leren dat niet past bij de ideeën die we over onze huidige of toekomstige identiteit (ons ‘zelf’) hebben, dan zal het niet beklijven. Als we gedrag vertonen dat wel past bij wie we denken te zijn, of willen zijn, dan geeft dat ons een plezierig gevoel. Dat gedrag genereert dan steeds weer kleine beloningen in ons hoofd. Dat helpt om ermee door te gaan.

Opruimen heeft dus zeker met filosofie te maken. Je hebt tijdens je leven een bepaalde visie ontwikkeld over jezelf in relatie tot opruimen, het zorgen voor je leefomgeving. Heb je duidelijk voor ogen wat jouw visie is? Kun je ermee uit de voeten of zou je je visie willen aanpassen?
Belangrijk daarbij is de identiteit die je nastreeft: die bepaalt uiteindelijk je gedrag.

Bronnen:
Elementaire Gewoontes – James Clear
Ik heb de tijd – Paul Loomans

Kiespijn

Geen paniek, de Bewaarschool van ZonderMeer is heus niet van haar gebruikelijke pad geraakt om zich te gaan toeleggen op tandheelkundige zaken zoals het stoppen van kruidnagels, gember of duivelsdrek in pijnlijk zeurende holle kiezen. Ook gaat het niet over het uitbrengen van blanco of proteststemmen tijdens de afgelopen Provinciale Statenverkiezingen.
Wat dan wel?
De Bewaarschool merkt in de praktijk dat opruimen en wegdoen  van spullen onmogelijk is zonder te kiezen. Waar wil je je in je leven (nog) mee gaan bezighouden en welke spullen horen daarbij?  Hoe kun je de rest dan loslaten? Kun je kiezen zonder te kniezen?

Hoe meer we te kiezen hebben, hoe beter het voor ons is, aangezien het kunnen kiezen uit allerlei mogelijkheden ons een gevoel van vrijheid geeft.
Vrijheid is een belangrijke waarde, in ieder geval in onze westerse wereld. Wie de vrijheid heeft om te kiezen, ervaart tegelijkertijd de verantwoordelijkheid om het beste alternatief te kiezen.

Quahl der Wahl

Het hebben van veel mogelijkheden om uit te kiezen leidt echter niet per se tot meer welbevinden en geluk. In zijn boek ‘De Paradox van Keuzes’ legt auteur Barry Schwartz  – Amerikaans psycholoog en professor aan het Swarthmore College in Pennsylvania –  uit hoe dat werkt bij ons mensen.
We kunnen last krijgen van keuzestress. Dat is een vorm van stress die veroorzaakt wordt doordat iemand overspoeld wordt met informatie die bestudeerd moet worden om een ‘goede’ keuze te kunnen maken. Het probleem is dan dat er te veel of te ingewikkelde keuzes zijn. Het hebben van meer mogelijkheden waar je uit moet kiezen brengt ook meer twijfels met zich mee en daardoor wordt het kiezen meer een last dan dat het je een vrijheidsgevoel geeft.
In Duitsland hebben ze er een mooi woord voor: Qual der Wahl.

Verlamming en ontevredenheid

Als we uit teveel opties moeten kiezen kan dat leiden tot het alsmaar uitstellen van de keuze, en uiteindelijk zelfs tot helemaal niet kiezen. Het verlamt ons, we vinden het te moeilijk, het kost ons teveel tijd en moeite om al die opties te onderzoeken. En als we dan uiteindelijk toch een keuze hebben gemaakt – omdat het toch echt moest – zijn we minder tevreden met onze keuze. Want we zien nog steeds al die mogelijkheden die we juist niet hebben gekozen; we blijven denken: ‘Wat als ik toch … had gekozen?’. We twijfelen aan de juistheid van onze keuze, we kunnen gemakkelijk spijt krijgen van onze beslissing.

Maximizers en satisficers

Mensen die pas een keuze kunnen maken als ze alle opties hebben bekeken, worden door Schwartz maximizers genoemd. Ze gaan voor het allerbeste, ze zoeken alles tot op de bodem uit en willen uiteindelijk de perfecte keuze maken. Ook als dat betekent dat ze alle kledingwinkels af moeten struinen voor die ene jas of 24 opticiens voor een bril.
Een andere groep noemt hij satisficers: mensen die stoppen met zoeken zodra ze datgene vinden wat hen goed genoeg lijkt.
Maximizers zijn meestal veel tijd en energie kwijt met zoeken en als ze al een keuze kunnen maken (verlamming ligt op de loer) zijn ze vaker minder tevreden met hun keuze. Want ze kunnen nooit echt alle opties bekeken hebben, dat is onmogelijk. Het blijft dus knagen.
Satisficers voelen zich vaker tevreden met hun keuze, ze hebben ook minder tijd en moeite eraan besteed om tot een keuze te komen.
Vaak zijn mensen op specifieke onderwerpen een maximizer en op andere onderwerpen meer een satisficer.

Spullen kiezen

Herken jij jezelf als een maximizer of als een satisficer? Heb je graag veel kasten (inloopkast) vol kleren om ’s ochtends uit te kiezen? Of een grote verzameling gereedschappen die handig kunnen zijn bij het klussen?  Als je alles goed geordend hebt zal het kiezen van het juiste kledingstuk nog wel lukken. Toch kun je de ervaring hebben dat je ‘niets hebt om aan te trekken’. Hoe meer je hebt, hoe moeilijker en tijdrovender het is om te kiezen. Daardoor kies je toch vaker hetzelfde, een deel van je kleding blijft ongebruikt in de kast. Mocht het in je kast ook nog eens een chaos zijn, dan wordt het nog lastiger om te kiezen.
Schwartz: ‘De meesten van ons denken dat hoe meer spullen we hebben, hoe tevredener we zijn. Maar dat is niet zo. Door te veel keuze voelen we ons niet goed. We krijgen spijt of zijn bang dat we spijt krijgen; we hebben te hoge verwachtingen van spullen; we geven bovendien onszelf de schuld als we geen goede keuze lijken te hebben gemaakt’.

Als je aan de slag wil met het minderen van spullen, dan helpt het om van tevoren een aantal beslisregels op te schrijven. Bijvoorbeeld: ‘alle studieboeken die ouder zijn dan 10 jaar mogen weg’ of ‘kleren die me niet meer passen mogen weg’. Daarmee hoef je niet meer bij alles na te denken of het wel of niet weg mag. Het maakt het makkelijker om te kiezen, het kost je minder energie.

Wat verder te doen tegen kiespijn?

  •  Maak voor een aantal zaken vuistregels (beslisregels) voor jezelf en houd je daaraan. Daarmee maak je je leven eenvoudiger. Bijvoorbeeld: ‘ik drink niet meer dan twee glazen wijn als ik uit eten ga’ of ‘ik ga niet meer dan drie winkels in als ik kleren moet kopen’. Wanneer je het aantal opties waaruit je kunt kiezen beperkt tot een redelijk aantal wordt het maken van een keuze minder complex en tijdrovend.
  • Denk na over wat je belangrijk vindt in je leven en ga daar je energie op richten en die keuzemogelijkheden grondig onderzoeken. Door basiskeuzes te maken hoef je niet voortdurend lastige ad hoc beslissingen te nemen (brandjes blussen).
  • Leer om tevreden te zijn met ‘goed genoeg’. In plaats van te zoeken naar de best mogelijke optie kun je ook gaan voor de optie die voldoende scoort op jouw keuzecriteria. Dat vergt namelijk minder inspanning en voorkomt frustratie, want de lat ligt minder hoog. Kun je meer zijn als een satisficer in plaats van een maximizer?
  • Zorg dat beslissingen vaker onomkeerbaar zijn. Je gaat dan meer energie stoppen in het accepteren en zo nodig verbeteren van wat je gekozen hebt. Je doet meer moeite om er het beste van te maken.
  • Wees je ervan bewust dat mensen zich aan vrijwel alle terugkerende dingen in het leven aanpassen, zowel aan positieve als aan negatieve.  Deze aanpassing is niet te voorkomen. Het beginplezier van de superluxe breedbeeld tv verdwijnt na een tijdje. Aan de andere kant wen je ook aan voor sommigen minder ideale omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een kleinere auto: het wordt gewoon.

Barry Schwartz vertelt in onderstaande video onder andere over het kopen van een nieuwe spijkerbroek.

Lees hier een recent artikel in NRC over keuzestress

Meld je hier aan voor de maandelijkse lessen van de Bewaarschool.

Hoe sterk is de eenzame …?

Nu het groeiseizoen ruimschoots voorbij is, zie je ze niet meer. Ze zijn uit hun holletjes gehaald om warm en droog de winter door te komen. In het voorjaar mogen ze weer terug naar de plek waar ze zich kunnen opladen om klaar te zijn voor hun voorname taak. Zachtjes brommend werken ze stug door, helemaal in hun eentje, ogenschijnlijk door niemand aangestuurd of zelfs maar bedankt. Bepalen ze eigenlijk zelf wanneer het tijd is om aan het werk te gaan? Of krijgen ze een seintje van hun baas? Zoeken ze zelf hun holletje op na afloop? Weten ze wanneer de klus klaar is?

Ik heb er altijd een beetje mee te doen, met zo’n eenzame grasmaairobot die kriskras over een grasveld hobbelt. Er hoort toch iemand bij die hem aanstuurt of in ieder geval gezelschap houdt?
Ondanks de elektronische begrenzing van zijn werkterrein kan hij immers toch soms van het gazon ontsnappen en onthand in de bloemenborder stil komen te staan. Zijn oplaadplek kan hij dan zeker niet meer op eigen kracht bereiken.

Body double

Mensen die snel afgeleid zijn – in de bloemenborder terechtkomen – en die toch gefocust moeten blijven op bijvoorbeeld huishoudelijke of administratieve taken, kunnen erbij gebaat zijn als er iemand in de buurt is die hen gezelschap houdt terwijl zij aan de taak werken. Zo’n maatje wordt ook wel een body double genoemd. Deze kan gewoon rustig in de buurt zijn en iets voor zichzelf doen. Of een handje meehelpen. Het kan een huisgenoot zijn, een vriend of soms een professional.
De Nederlandse vertaling van body double is dubbelganger. Die term zegt echter niets over de bovengenoemde functie als maatje.

De term body double komt uit de filmwereld. In een film speelt een body double een scène in plaats van de eigenlijke acteur, als die bijvoorbeeld geen naaktscène wil spelen of geen gevaarlijke stunt wil of kan uitvoeren.

Anker of spiegel

De aanwezigheid van iemand anders helpt je met focussen, als een fysiek anker dat je op je plaats houdt als je van je taak dreigt weg te dobberen. De body double kan je zo nodig erop attenderen als je afdwaalt of verveeld raakt.
Je voelt je uiteraard ook verantwoordelijk jegens de body double: ‘ik mag de tijd die hij mij schenkt niet verspillen door niets te doen’.
Ook geeft het rust dat je je op dat moment alleen bezig hoeft te houden met die ene taak en niet met de honderd andere die mogelijk nog op je liggen te wachten. Alleen al iemand in de buurt hebben kan verveling voorkomen, je maatje kan je energie geven.

Ook kan de body double een spiegel of rolmodel voor je zijn. Door rustig iets in jouw buurt te doen straalt hij de boodschap uit dat het voor jou ook mogelijk is om geconcentreerd door te blijven werken. Naar men aanneemt spelen spiegelneuronen (bepaalde zenuwcellen) in ons zenuwstelsel een rol bij het begrijpen en interpreteren van de handelingen van anderen. Ook empathie en het leren van nieuwe vaardigheden door imitatie zou met de spiegelneuronen samenhangen.

Een leerling van de Bewaarschool vertelde mij over het Spic-en-Spanclubje dat ze samen met twee vriendinnen heeft. Elke week gaan ze samen een ochtend bij een van hen aan de slag met een klus. Dat varieert van poetsen, een muur schilderen, tot de zolder uitmesten of onkruid wieden. En het werkt: ze krijgen samen veel gedaan en het is nog leuk ook. Want uiteraard wordt er ook koffie gedronken en bijgepraat.
Ook een andere leerling stuurde een tip: als ze veel te doen heeft, mailt ze haar t0-do-lijst naar een vriendin. Dat helpt om aan de slag te gaan en om gefocust te blijven  – de vriendin is dan haar virtuele body double.

Hoe zet je een body double effectief in?

Stel jezelf eerst een aantal vragen.

Waar heb ik precies moeite mee? Is dat het beginnen, het volhouden of het afmaken van de taak? Kan ik een familielid of vriend daarvoor vragen of schakel ik een betaalde kracht in? Kan ik zelf de leiding over het uitvoeren van de taken houden en delegeer ik dan bepaalde dingen aan de body double? Of geef ik de leiding uit handen? Moet de body double mij meehelpen, aansturen of alleen in de buurt zijn terwijl ik bezig ben? Wat zou ik specifiek willen vragen aan de body double? Wat zou ik willen dat hij wel of juist niet tegen me zegt als ik afdwaal?

Je kunt bijvoorbeeld iemand vragen om je te helpen om een stappenplan te maken en in te schatten hoeveel tijd de taak kost. Zodra je aan de gang bent kan de body double iets voor zichzelf gaan doen. Als je vastloopt zou je hem weer kunnen vragen om hulp. Je body double kan ook een (saai of moeilijk) deel van je taak overnemen. Bijvoorbeeld jij zoekt bonnetjes uit en de body double maakt er scans van en zet ze in mappen op de computer.

Het is natuurlijk belangrijk dat je iemand kiest die geduldig is, niet oordeelt en die ook stil kan zijn. In ieder geval iemand waarbij je je op je gemak voelt zodat het samenwerken een prettige ervaring wordt.

Ter afsluiting vind je hier een link naar een column van Ben Tiggelaar over de kunst van het hulp vragen.

Marian Habets, december 2018

 

Gejaagd, liefst door de wind

In een tijdsbestek van een half uur kwam ik een tijdje geleden drie dingen tegen die mijn gedachten brachten op een en hetzelfde onderwerp: gejaagdheid.
Oftewel holderdebolder, ijlings en vierklauwens.
Waar was ik en wat zag ik? Op de veerpont over de Nederrijn bij Huissen, vervolgens fietsend langs een wei met grazende koeien. Ten slotte zag ik een poster op een lantaarnpaal in Loo.

 

Boekomslag, niet de poster die ik zag.

Oversteken en koeien

Elke keer als ik met mijn fiets op de veerpont sta, is dat een onthaastende ervaring, een beetje een vakantiegevoel. Als ik tenminste genoeg tijd heb ingepland om op mijn bestemming te komen. De ene keer kan ik meteen de pont op fietsen, soms moet er gewacht worden op een passerend schip, andere keren vaart-ie net weg als ik aankom. Om op tijd op mijn afspraak te komen moet ik natuurlijk rekening houden met het scenario dat het meeste tijd kost.

Dan de wei met koeien. Door naar die koeien te kijken – wel even de tijd daarvoor nemen – word ik rustig. Ze zijn volledig bezig met maar één ding tegelijk: eten of in de verte staren. O ja, en met verteren van gras via al die magen.

Afbeelding van koeienmagen (Wikipedia)

[Interessant weetje tussendoor: de boekmaag (b) heeft aan de binnenzijde bladen zoals in een boek. Tussen de bladen van de boekmaag worden de spijsbrokken uitgeperst. Die vloeistof gaat als eerste naar de lebmaag (de eigenlijke echte maag), waarna langzaam de spijsbrok volgt. De maagsappen werken in de lebmaag op het voedsel in voor de verdere vertering.]

Staat van gejaagdheid

In het boek ‘ADD-Friendly ways to organize your life’ van Judith Kolberg en Kathleen G. Nadeau, gaat hoofdstuk 16 over ‘The state of rushness’ oftewel ‘De toestand van gejaagdheid’.
Zij omschrijven deze toestand als je voortdurend gehaast voelen, je vaak ongeduldig en gefrustreerd voelen, vaak te laat komen en veel dingen ‘nog eventjes’ tussendoor willen doen.

Mensen met ADHD hebben vaak een lage frustratiedrempel, regelmatig samengaand met langdurige stress en angst om dingen verkeerd te doen. Als daar nog vergeetachtigheid en beperkte planningsvaardigheden bijkomen neemt de kans op een emotionele uitbarsting toe. De druppel dus, die de emmer doet overlopen.
Als je voortdurend in staat van gejaagdheid leeft, wordt het emotieregulatiecentrum in je hersenen constant overprikkeld. Zelfs kleine frustraties worden dan ondraaglijk.
Om minder gejaagd te zijn kun je werken aan stress- en frustratievermindering.
Wat kun je doen?

One-more-thing-itis’

Je bewust worden van ‘one-more-thing-itis’: de plotselinge impuls om nog even één ding te doen voordat je de deur uitgaat. Het gevaar daarvan is namelijk dat je de tijd vergeet en te laat vertrekt.
Wat kan helpen: een vertrekchecklist gebruiken, net zoals een piloot voor de vlucht een lijst doorloopt met dingen die hij in de cockpit moet controleren. Hang of leg de overzichtelijke lijst op een strategische plek op weg naar de deur. Je kunt de checklist ook al de avond van tevoren erbij pakken en (voor een deel) afwerken.
Wat kan er zoal op die lijst staan?

  • werktas pakken;
  • kalender en takenlijst bekijken
  • sleutels, mobiele telefoon, agenda, portemonnee en bril in de tas doen;
  • spullen die je die dag bij je moet hebben bij elkaar zoeken (boodschappenlijstje, biebboeken die terug moeten, etc.);
  • lampen, tv, etc. in huis uitdoen en deur op slot doen;
  • hardop tegen jezelf zeggen: ‘ben ik iets vergeten?’ (hardop tegen jezelf praten helpt om je te focussen).
    Schiet je iets te binnen wat niet met je vertrek te maken heeft? Schrijf het dan op om het op een later tijdstip te kunnen doen.

Plan bewust in om een kwartier eerder op je bestemming aan te komen.
Hoe pak je dat aan?
Door een kwartier extra uit te trekken voor de voorbereidingen voor je vertrek (om de vertrekchecklist af te werken). Vervolgens vertrek je een kwartier eerder van huis dan normaal.
In totaal betekent dit een verschuiving van een half uur. Met een directe beloning: je vertrekt met minder stress, je reist rustig naar je bestemming en als je er bent kun je even tot rust komen voordat je aan de slag gaat.

Strategisch taken inplannen

Door bepaalde taken steeds maar uit te stellen kan het zijn dat je constant tegen een deadline aan zit. Het gevolg daarvan is gejaagdheid. Als je last hebt van gejaagdheid door uitstelgedrag in combinatie met een deadline,  dan kun je gaan onderzoeken hoe dat bij jou werkt.
Stel je bepaalde taken uit tot de momenten waarop je eigenlijk te vermoeid bent, zoals aan het einde van de (werk)dag? Kijk dan wanneer je je het meest fit voelt en ruim op die momenten voldoende tijd in voor de taak.
Als je met een (te) grote taak te maken hebt, deel hem dan op in kleinere (schrijf de subtaken op). Dat geeft meer overzicht en het vergroot de kans dat je toch eraan begint en zo stukje bij beetje alle subtaken uitvoert. Het afronden van elke subtaak geeft je een succeservaring.
Weet je welke omstandigheden voor jou nodig zijn om aan een taak te werken?
Koffie? Muziek? Stilte en eigenlijk niemand om je heen? Of juist iemand in de buurt waardoor je aan het werk kunt blijven? Een leeg bureau? Eerst een ommetje maken voordat je aan de slag kunt? Ken jezelf en creëer de optimale omstandigheden.

Stilleven van Giorgio Morandi

Eenvoud

En dan was er ten slotte nog de poster op de lantaarnpaal in Loo, een aankondiging van een expositie. Hij leek een beetje op bovenstaande afbeelding. De eenvoud, het kleurenschema en het ritme van de potjes en flesjes deden mij weldadig aan.
Het bracht mij ertoe om meer rust te willen brengen in mijn dagen en met minder dingen tegelijk bezig te zijn.
Meegaand met de stroom, de wind jagend in mijn rug – en met een volle batterij – fietste ik vervolgens naar mijn afspraak.

Bron: ‘ADD-Friendly ways to organize your life’ van Judith Kolberg en Kathleen G. Nadeau

Terugval voorkomen

 

En dan heb je eindelijk alles op orde …
Je leefruimte is geworden zoals je je gewenst had. Alles heeft een handige plek, je kunt je spullen weer makkelijk opbergen en terugvinden. Je bent overtollige ballast kwijt. Tevreden. Blij. Opgelucht.
Dan verlegt de aandacht zich naar het bijhouden. Tijdens het opruimproces was je daarmee waarschijnlijk al aan het oefenen.

Als je van jezelf weet dat je periodes hebt waarin opruimen niet lukt en je geen aandacht en energie voor je leefomgeving kunt opbrengen, kun je een plan maken om terugvallen te voorkomen.
Het terugvalpreventieplan.

Brief aan jezelf

‘Lieve Z.
Goed van je dat je deze brief nu erbij hebt gepakt. Die heb je een tijdje geleden immers aan jezelf geschreven om je de weg te wijzen in moeilijke periodes. Je voelt je nu waarschijnlijk onthand en je weet niet meer waar je moet beginnen om je huis weer op orde te krijgen. Je baalt daar erg van.
Toen je deze brief aan jezelf schreef zat je goed in je vel en kon je overzien wat je te doen stond, je had overzicht en rust. Je kunt ook nu de draad weer oppakken, verlies de moed niet. Het is begrijpelijk dat je af en toe terugvalt. Het gaat op en neer, dat geeft niets, geen paniek. Je kunt de grip weer terugkrijgen, je hebt eerder geleerd en ervaren hoe dat gaat.’

Een terugvalpreventieplan (TPP)  is een plan voor als het (even) minder goed gaat, bijvoorbeeld wat betreft het op orde houden van je huis, als steun om ervoor te zorgen dat het niet teveel uit de hand loopt.
Een TPP kun je in briefvorm aan jezelf schrijven, voor als je onbedoeld toch weer in je valkuil terechtgekomen bent of dreigt te komen. De brief herinnert je aan wat jou in de afgelopen periode heeft geholpen om overzicht en rust in je huis en hoofd te krijgen. Het is een hoopgevende brief die een aantal belangrijke onderdelen bevat. Hij begint met een compliment aan jezelf. Probeer zoveel mogelijk je eigen woorden te gebruiken.

‘Deze brief schrijf ik je om je te herinneren aan alles wat je geleerd hebt tijdens je opruimproces, bijvoorbeeld wat je valkuilen zijn, op welke signalen je moet letten, welke oefeningen en adviezen jou geholpen hebben en welke inzichten je hebt opgedaan. Ook noem ik de mensen met wie je contact kunt zoeken als je er niet uitkomt of als je steun nodig hebt. Ik schrijf je dit omdat je zelf hebt ervaren dat het je helpt om weer de controle te krijgen.’

Stoplicht

Er zijn verschillende fases, die gemakkelijk te omschrijven zijn aan de hand van de kleuren van een stoplicht. In fase groen gaat het goed met je, in oranje gaat het minder goed en in rood zit je in je valkuil.

‘Als je je goed voelt dan kun je ’s ochtends gemakkelijk opstaan, want dan heb je goed geslapen, zonder te liggen piekeren. Je maakt lange wandelingen met Takkie, je eet regelmatig en hebt oog voor je omgeving. Je merkt op dat er weleens dingen rondslingeren in huis maar je neemt ook de tijd om die weer op te bergen. Je hebt immers genoeg ruimte gemaakt om al je spullen een vaste plek te geven. Je maakt het gezellig en sfeervol in huis (je hebt geen gebrek aan inspiratie voor je creatieve interieurprojecten), je zorgt ervoor dat de vuile vaat zich niet opstapelt. Ook de was doen is geen probleem, er ligt alleen vuile was in de wasmand. Je hebt genoeg plek om je schone kleding op te bergen. Je onderneemt regelmatig ontspannende en leuke activiteiten, je hebt plezier in je werk. Dat helpt ook om je goed te blijven voelen. Als je ergens mee zit kun je daar zo nodig met andere mensen over praten.’

Omschrijf in de brief bij elke fase wat je aan jezelf merkt, welke eerste verschijnselen je ziet als het de verkeerde kant op dreigt te gaan. Het herkennen van de eerste signalen is belangrijk. Beschrijf wat je zelf kunt doen om weer uit een oranje (of rode) fase te komen. Als je anderen bij je plan betrekt is het belangrijk om te weten wat anderen aan je merken en wat ze voor je kunnen doen als het niet zo goed gaat. Ook voor de groene fase beschrijf je zo concreet mogelijk wat je kunt doen om te zorgen dat het goed blijft gaan.

‘Op dit moment gaat het niet zo goed met je. Dat heb je vaker als de feestdagen eraan zitten te komen of als je geldzorgen hebt. Je hebt onder andere gemerkt dat het wasgoed zich weer aan het opstapelen is. Ook blijft er al weken vuile vaat op het aanrecht en in de huiskamer staan en heb je geen zin om je leuke kleren aan te trekken. Je zit veel te piekeren, het houdt je uit je slaap, en je hebt geen zin om te koken. Je bent moe en je weet niet waar je moet beginnen om weer overzicht te krijgen. Het kost je moeite om naar je werk te gaan, er komt weinig uit je handen. Je collega’s vragen je misschien of er iets is want ze zien dat je stiller bent en dat je moeite hebt je te concentreren.
Deze signalen betekenen dat je nu goed op jezelf moet letten.’

Op een rijtje zetten

‘Het is op dit moment belangrijk dat je toch in actie komt, ook al heb je er weinig zin in. Zorg in ieder geval ervoor dat je drie keer per dag eet, het hoeft niet veel te zijn, maar probeer wel gezond te eten. Ook weet je van jezelf dat het je goed doet om naar buiten te gaan. En Takkie wil graag zijn energie (en zijn behoefte ;-)) kwijt.
Om afleiding van het piekeren te hebben helpt het je meestal om iets creatiefs te doen, in je hobbytijdschriften te bladeren of om een spelletje op je telefoon te doen. Je hebt gemerkt dat het je helpt om bij 
negatieve gedachtes een of meer positieve te bedenken. 
Wat opruimen betreft: kies iedere dag een afgebakend plekje dat je gaat opruimen (een deel van de tafel of van het aanrecht bijvoorbeeld) op de manier zoals je dat geleerd hebt.
 Gebruik daarbij in ieder geval de timer, je vond dat altijd heel prettig tijdens het opruimproces. En nu zet je die niet op een uur, maar bijvoorbeeld op een kwartier. Denk je nog aan het 10-minutenrondje? En je weet vast nog wel dat je een grotere klus kunt opsplitsen in kleinere. Je zult merken dat je op deze manier beetje bij beetje weer grip krijgt. 
Met B. heb je de afspraak gemaakt dat je haar belt als het allemaal niet lukt. Ze komt dan bij je langs voor een kop koffie en om je te ondersteunen. Zij weet wat je in deze brief hebt geschreven en hoe ze je het beste kan helpen.
Haar mobiele nummer is 06 12 34 56 78.’

 Ten slotte

Eindig de brief aan jezelf met een hoopgevende slotzin, want je wilt jezelf een hart onder de riem steken. Is er een schrijver, kunstenaar of iemand anders die je inspireert? Zoek naar een passende quote of een afbeelding van een kunstwerk en voeg die toe aan je brief.

‘Lieve Z., ik hoop dat ik je met deze brief weer op gang heb kunnen helpen in deze lastige periode. Het is je eerder gelukt om uit je valkuil te komen en de goede draad op te pakken, dus nu gaat het ook zeker goed komen.
Liefs, Z.

P.S.
“I wish, as everybody else, to be perfectly happy. But like everybody else, it must be in my own way.” (Jane Austen) 

Angelica Kaufmann – Die Dichtung umarmt die Malerei

Bronnen:

Website: meestersindepsychologie.nl
Kunst als therapieAlain de Botton en John Armstrong

Aan de slag: intuïtie of verstand?

 

Zegt GTD je misschien iets? Of Tijdsurfen?
Het ene heeft niets met een televisiesoap te maken, en het andere betekent niet eindeloos rondzwerven op internet of in de branding.
Het gaat allebei om productiviteit. Zorgen dat je op een efficiënte manier gedaan krijgt wat je belangrijk vindt.
Ze hebben echter verschillende uitgangspunten: GTD spreekt vooral de ratio aan en Tijdsurfen gaat meer uit van je intuïtie. Wat spreekt jou het meeste aan?
Hieronder verken ik beide methodes en dat kan je helpen een keuze te maken.

GTD staat voor Getting Things Done, een methode die door de Amerikaan David Allen is ontwikkeld, hij is een van de invloedrijkste denkers over productiviteit. Achterop zijn boek staat: ‘GTD is de ultieme methode om productiever te zijn. Het stelt je in staat om snel informatie te filteren en wat relevant is onder te brengen in een extern 100% betrouwbaar systeem. Dit zorgt ervoor dat alle op dit moment niet-relevante informatie uit je zicht verdwijnt en op het juiste moment weer op je radar komt. Hierdoor heb je overzicht om met de juiste dingen bezig te zijn en de rust om hier echt je volledige aandacht aan te geven’.

Tijdsurfen is ontwikkeld door de Nederlander Paul Loomans, hij begeleidt mensen individueel en in groepen om rust te hervinden. Hij gebruikt daarbij een methode die gebaseerd is op zen-inzichten. Op de achterkant staat: ‘de methode Tijdsurfen bestaat uit zeven aanwijzingen die natuurlijk aanvoelen. Ze maken het mogelijk te surfen over de golven van de Tijd. Je leert hoe je op je gevoel kunt vertrouwen bij de keuze van wat je gaat doen. Je doet daardoor de dingen niet alleen geïnspireerd, maar ook heel effectief. Je gaat een ongedwongen aandacht ervaren bij alles wat je doet. Maar bovenal ontstaat er een innerlijke rust die je telkens opnieuw laat voelen: ik heb de tijd’.

Getting Things Done

David Allen beschrijft in zijn boek een procedure van vijf stappen. Allereerst het verzamelen en opschrijven van alle dingen die je nog moet doen of waarover je nog na moet denken. Vervolgens het beslissen wat elk item betekent en wat ermee gedaan moet worden (wel/geen directe actie nodig, delegeren, er een project van maken?). Ten derde moeten de uitkomsten georganiseerd worden (hoe voer je een grotere of kleinere actie uit? welke stappen zijn ervoor nodig?) en ten vierde het reflecteren over de daaruit voortvloeiende opties waarbij wekelijks alle lopende projecten en taken bekeken moet worden. Ten slotte het bepalen wat we doen en op welk moment dat het beste kan gebeuren.

 Tijdsurfen

Paul Loomans gebruikt zeven aanwijzingen in zijn methodiek. De eerste is: doe één ding tegelijk en maak het af voordat je overstapt op iets anders. Vervolgens: sta stil bij wat je doet en aanvaard de handeling (schep van tevoren een relatie met alles wat je wilt gaan doen door in gedachten jezelf te zien terwijl je de taak uitvoert). Schep witjes (mini-pauzes) tussen je activiteiten, dat wil zeggen: ga niet door totdat je niet meer kunt maar las natuurlijke korte pauzes in. De vierde: geef volle aandacht aan ‘aankloppers’: neem ongeplande dingen die tussendoor komen serieus. Maak jezelf bewust van zaken die je voor je uitschuift (knagende ratten) en onderzoek ze. Daarmee transformeer je ze in witte schapen (die volgzaam achter je aanlopen en je niet meer uit je slaap houden). Observeer malende gedachtes die je veel energie kosten (achtergrondprogramma’s) en breng die tot rust. Ten slotte: kies intuïtief wat je gaat doen, leer erop vertrouwen.

Wat zijn de overeenkomsten van GTD en Tijdsurfen?

Zowel Loomans als Allen streven naar zo weinig mogelijk stress bij het uitvoeren van taken, rust is het uitgangspunt. Ook willen beide een hoge mate van effectiviteit bereiken en concluderen ze dat multitasken onwenselijk en eigenlijk onmogelijk is. Het gebruik van een agenda wordt door beiden aanbevolen om afspraken in te noteren. Belangrijk is ook om er regelmatig in te kijken.

Wat zijn de verschillen?

Tijdsurfen gaat uit van intuïtie en gevoel, je intuïtie is de bestuurder, vertrouwen de brandstof.  Er is geen speciale discipline nodig. Doordat je je intuïtief verbindt met de taak  – en hem vervolgens loslaat – komt die op het juiste moment weer in je op en ga je hem uitvoeren. GTD daarentegen werkt op wilskracht en ratio, de bestuurder is je verstand en controle is de brandstof. Het vergt discipline om wekelijks de lijsten met taken en projecten te bekijken en te kiezen welke je gaat doen. Bij Tijdsurfen gaat het erom dat je plezier en voldoening hebt in je taak, terwijl GTD meer gefixeerd is op het resultaat.
Bij GTD gebruik je to-do-lijstjes als leidraad en heb je ze steeds bij de hand, terwijl je ze bij Tijdsurfen eigenlijk niet nodig hebt, hoogstens als controle achteraf om te checken of je niks vergeten bent. Het eventuele lijstje moet vooral uit het zicht bewaard worden om te voorkomen dat je gestrest raakt als je steeds voor je ziet wat je allemaal nog moet doen.
Ten slotte wordt bij Tijdsurfen het nemen van een mini-pauze (een witje) aangemoedigd. Een witje heeft drie positieve effecten. De eerste is dat je de taak die je net gedaan hebt onbewust evalueert. De tweede is dat je tot rust kunt komen tijdens een witje. De derde is dat je vanzelf mogelijke acties te binnen schieten voor na het witje. Een witje mag geen geestelijke inspanning kosten.

Illustratie uit ‘Ik heb de tijd’, door Niels de Hoog

 

Wil je je meer verdiepen in beide methodieken, kijk dan eens op de onderstaande websites:
gettingthingsdone.com
tijdsurfen.nl

En natuurlijk kun je ook de boeken lezen:

Ik heb de tijd – Een handleiding in Tijdsurfen. Paul Loomans, zenmonnik
Getting Things Done – De kunst van stressvrije productiviteit. David Allen

Marian Habets, november 2017

 

In alle aandacht

Klaar voor de start!

Je hebt je net geïnstalleerd om aan het schrijven van een tekst te beginnen als je het bekende pingetje op je telefoon hoort. Even kijken wie van je vrienden iets post op Facebook. Leuk, dat ze zo’n mooie dahlia’s in haar tuin heeft. Die wil jij eigenlijk ook hebben volgend jaar. Gauw op internet kijken waar je ze kunt kopen. Je liket haar bericht en keert terug naar je tekst in wording. Nu moet je nog op zoek naar dat boek waar je iets uit moest halen. Ligt het op je slaapkamer of in die stapel boeken naast de bank? Eerst maar bij de bank kijken. Oei, wat een stofnesten. Daar moet je straks toch echt stofzuigen. Je wilt het eigenlijk liever meteen doen, anders blijft het je afleiden.  Verder met schrijven, terwijl er inmiddels drie kwartier verstreken zijn, en je nu wel echt trek krijgt in koffie.

De kop is eraf!

In de vorige les van de Bewaarschool kregen we dankzij de bosmuis een inkijkje in de verschillende executieve functies. Vandaag lichten we er een belangrijke uit: volgehouden aandacht, oftewel gefocust blijven. Het betreft het vermogen om de aandacht op een situatie of taak te blijven vestigen, ondanks afleiding, vermoeidheid of verveling. Bij sommige taken kost het geen moeite om erbij te blijven – bij dingen die je leuk vindt of die je voor je hobby doet. Bij taken die we lastiger vinden, of minder interessant, wordt het al anders en merken we dat onze aandacht gauw verslapt. De executieve functies taakinitiatie – beginnen aan een taak – en doelgericht gedrag hangen nauw samen met volgehouden aandacht.

Al een eindje op weg!

Losse eindjes

Als je moeite hebt met volgehouden aandacht raak je snel afgeleid door prikkels uit je omgeving of van binnen – je eigen gedachten. Ook ben je snel verveeld als het saai wordt en ga je liever iets anders – tussendoor – doen. Nadat je afgeleid bent kun je de draad niet meer gemakkelijk oppakken. Als je huishoudelijke taken moet doen ga je zigzaggen en aan het einde van de dag heb je overal ‘losse eindjes’. Wat het nog moeilijker maakt om gefocust te blijven zijn stress, een lage motivatie en slaapgebrek.

Op de helft!

Weg met afleiders

Je kunt je omgeving aanpassen door zoveel mogelijk afleidende dingen weg te halen. Maak je werkplek dus zo rustig mogelijk. Ook kun je gaan werken op een plek waar geen ‘ontsnappen’ mogelijk is, zoals in een bibliotheek. Zoek voor jezelf uit wat voor jou de beste tijd van de dag is om de taak te doen. Ben je ’s ochtends meer gefocust, of misschien lukt dat ’s avonds beter? Als je veel gedachtes hebt die je afleiden, hou dan een schrijfblok bij de hand om deze interne afleiders te noteren. Sommige mensen kunnen prima werken met achtergrondgeluiden of muziek, anderen hebben juist absolute stilte nodig.
Hoe is dat bij jou?

Al over de helft!

Raad van Toezicht

Ook kun je andere mensen inschakelen om je te helpen je aandacht beter vast te houden. Je kunt bijvoorbeeld samen met iemand anders aan een langdradige taak werken, je dwaalt dan minder makkelijk af. Ook kun je een taak doen met iemand in je buurt die ‘toezicht’ houdt. Iets wat ten slotte ook helpt is iemand anders vertellen dat je aan de slag gaat; dat werkt als een stok achter de deur die je helpt om het vol te houden.

Bijna klaar!

Task force

Natuurlijk kun je ook de taak zo gemakkelijk mogelijk maken. Bijvoorbeeld door hem op te delen in kleinere stukjes. Plan het uitvoeren van de deeltaken in je agenda in of zet ze in een to-dolijst. Als het lukt om je uiteindelijke grotere doel steeds voor ogen te houden kun je de aandacht beter volhouden. Ook kun je de taak interessanter maken of er een wedstrijdelement in brengen. Bouw variëteit en keuzemogelijkheden in door zowel briefjes met taken als briefjes met leuke dingen te maken; trek blind een briefje en doe wat erop staat.
Wissel favoriete en minder favoriete taken af.

 

Oefening baart kunst

Onze hersenen zijn plastisch. Dat wil zeggen dat we onze zwakkere executieve functies kunnen trainen, waardoor er verandering optreedt in de hersenstructuur die deze functies ondersteunt. In het begin kost het inspanning en energie, maar na verloop van tijd wordt het gemakkelijker en verloopt de executieve functie automatischer.
Je kunt bijvoorbeeld oefenen met een timer om je aandachtsspanne beetje bij beetje te vergroten.

En – niet onbelangrijk – beloon jezelf als je een taak of een deel ervan hebt afgerond!

Bron:  Slim maar…
Versterk je executieve functies en vergroot je succes!

Auteurs:  Peg Dawson & Richard Guare  (2016)

Klaar!

Apodemus en ik

Apodemus de opportunist

Eerst onkruid wieden en bemesten. Dan mag er gezaaid worden, meestal in strakke rijtjes. Ieder voorjaar en iedere zomer vraagt de moestuin weer mijn tijd en aandacht. Na het zaaien volgt het wachten – soms heel lang – totdat de eerste beginnetjes van groenteplantjes zich laten zien. De metamorfose van minuscuul zaadje naar volgroeide plant blijft voor mij een wonderbaarlijk proces.
Behalve onkruid zijn er dit jaar echter ook andere ongewenste gasten in de moestuin. Niet groen, maar met pootjes, een staart en tandjes: de bosmuis. Wikipedia omschrijft hem als ‘een opportunist met een gevarieerd dieet’.
In mijn moestuin laat hij zijn dieet vooral bepalen door wat ik zaai of plant. Hij is vooral dol op bonen, het maakt niet uit welke soort. Zodra hij de kans krijgt graaft hij de net gezaaide bonen uit de grond. Binnenshuis gekweekte bonenplanten die ik daarna buiten in de volle grond zet zijn evenmin veilig. Na het muizenbezoek rest nog slechts een treurig rijtje korte stompjes. Het lijkt erop dat ik dit jaar geen zelfgekweekte peulen, tuinbonen en sperziebonen zal hebben.

Deze Apodemus sylvaticus en zijn soortgenoten moeten uiteraard eten en zich voortplanten, ze zijn een belangrijke schakel in de voedselketen. Hoe gaan ze eigenlijk te werk als ze honger hebben? Is het een puur instinctief gebeuren?
Ik besluit om een aantal executieve functies van onze Apodemus eens te bestuderen. In de mensenwereld zijn executieve functies de vaardigheden die ons moeten helpen om de taken van het dagelijkse leven uit te voeren. Bijvoorbeeld het beginnen met een taak, het volhouden van de aandacht of het omgaan met veranderingen of met stress.

Marshmallows

De executieve functie reactie-inhibitie (het vermogen om na te denken voor je iets doet) is niet zijn sterkste kant. Apodemus jaagt namelijk uitsluitend kortetermijndoelen na: ‘Honger!! Ik eet die paar miezerige boontjes op’. Als hij eerst zou nadenken (‘ik kan wel honderd bonen krijgen als ik afwacht’) zou hem dat veel méér opleveren.
Je kent misschien de marshmallowtest. In een experiment van de Stanford University eind zestiger jaren werd 4-jarige kinderen gevraagd om te wachten met het opeten van een marshmallow. Als dat lukte zouden ze er na een kwartier nóg een krijgen. De kinderen die konden wachten bleken later in hun leven succesvoller te zijn: je impulsen kunnen controleren blijkt zinvol. Nieuw onderzoek uit 2013 van de Rochester University laat echter nog iets anders zien. Het blijkt dat kinderen beter in staat waren om te wachten naarmate ze de persoon die hen iets beloofde als betrouwbaarder inschatten. De onderzoekers vonden daarmee een alternatieve verklaring voor de bevindingen in de marshmallowtest: succesvolle mensen zijn meestal opgegroeid in een omgeving die te vertrouwen is.
Apodemus zou de marshmallow in ieder geval meteen verslonden hebben. Om te overleven in een omgeving waar je nergens op kunt vertrouwen, is dat ook de meest succesvolle actie.

Apodemus begint gewoon

Planning/prioritering is het vermogen om een routeplan te maken om een doel te bereiken, om hoofd- van bijzaken te onderscheiden. Apodemus doet daar niet moeilijk over: zijn routeplan bestaat uit het volgen van de bonengeur. De hoofdzaak is eten, een bijzaak is er niet.
Als je goed gedijt in stressvolle situaties heb je een sterke stresstolerantie. Je kunt dan goed omgaan met onzekerheid en verandering. Apodemus is onverschrokken, zolang er geen mens in de buurt is. Omgaan met verandering is geen probleem: ook andere lekkere planten eet hij met gemak. Mensen die zwak zijn in stresstolerantie willen meestal graag van tevoren weten wat er gaat gebeuren en doen liefst dingen waar ze al veel ervaring mee hebben.
Bij taakinitiatie gaat het erom of je zonder dralen aan een taak kunt beginnen. Geen enkel probleem, Apodemus gaat meteen aan de slag (eten) zodra de gelegenheid zich voordoet. Toegegeven: de taak is niet saai of moeilijk. En er is direct een heerlijke beloning. Wie zwak is in taakinitiatie blijft hangen in het denken en komt niet tot actie. Uitstelgedrag kennen we helaas allemaal in meer of mindere mate.
De executieve functie volgehouden aandacht is bij Apodemus niet nodig: alles is in een oogwenk op. Zou Apodemus een plan B (flexibiliteit: de vaardigheid om plannen zo nodig te herzienhebben gehad als ik geen bonen in de grond had gestopt? Waarschijnlijk was hij naar een andere moestuin gegaan of eikeltjes in het bos gaan zoeken.
Vanochtend trof ik in mijn keuken een bijzondere vorm van flexibiliteit aan: muis verorbert mieren in lokdoos.

Muizenlokdoos?

Ik versus Apodemus

En ik? Hoe kan ik mijn executieve functies inzetten om toch zelfgekweekte bonen te kunnen eten?
Ik worstel met mijn respons-inhibitie. Het liefst zou ik de hele tuin vol muizenvallen zetten. Weg met die veelvraten! Als ik verder denk zie ik dat dat zinloos en tegennatuurlijk is. Ik kan beter na gaan denken over een manier om mijn planten het volgend jaar beter te beschermen. Daarvoor heb ik doelgericht gedrag nodig: een haalbaar doel formuleren, daar structureel naartoe werken en me niet laten afleiden door tegenslagen. Door planning en prioritering kan ik in een handige volgorde stappen uitzetten om naar mijn doel toe te werken.
Omgaan met mijn teleurstelling doet een beroep op mijn emotieregulatiestresstolerantie en flexibiliteit. Kan ik mijn emoties in de hand houden (moordlust bedwingen) en constructief met de situatie omgaan? Kan ik omgaan met onzekerheid en verandering of met de eisen die de nieuwe situatie aan mij stelt? Kan ik me bijvoorbeeld neerleggen bij de conclusie dat bonen kweken aan de bosrand niet zomaar mogelijk is?
Hoe beter je executieve functies werken, hoe beter je in staat bent om de taken in je dagelijkse leven uit te voeren en om plannen te ontwikkelen om de doelen in je leven te verwezenlijken.

Meer lezen over executieve functies? In de komende lessen zal de Bewaarschool enkele executieve functies nader uitdiepen. Daarbij zullen we ook gaan kijken hoe je deze executieve functies kunt gebruiken of versterken.

Boeken:
– Slim maar…     Peg Dawson & Richard Guare  (2016)
Eat that frog    Brian Tracey (2017)

In uw winkelmandje

‘Ik snakte naar adem. Met stof in al je hoeken kun je je dat wel voorstellen. Ze bleven me ook maar volproppen met spullen. Mijn deur kon niet meer dicht, ik kraakte in mijn voegen en mijn poten stonden scheef. Privacy? Een illusie: mijn sleutel was al jaren kwijt. Met doorgezakte planken – ik ben niet meer de jongste, en dan zo’n gewicht moeten torsen valt niet mee – en met een schimmelkolonie op mijn achterwand voelde ik me ernstig verwaarloosd.
Als iemand op een van mijn planken tevergeefs iets probeerde te vinden werd er stevig bij gevloekt en getierd.
Lang geleden kreeg ik nog wel eens een schoonmaakbeurt met een sopje, en dan voelde ik me weer lekker fris. Ze maakten me dan helemaal leeg, heerlijk. Een deel van de spullen kwam daarna weer terug, de rest gooiden ze waarschijnlijk weg.
Ik voelde me gewaardeerd.
In de periodes dat ik te vol zat duwde ik soms stiekem een paar dingen naar buiten. Maar daar schoot ik niet veel mee op, een schop tegen mijn deur kon ik krijgen.

Omdat ze me leken te zijn vergeten heb ik het heft in eigen hand moeten nemen.
Ik nodigde een familie muizen uit om bij me te komen logeren. Ze mochten naar hartenlust knagen aan mijn inventaris, hun muizenkeutels waren meer dan welkom.
Toen de ravage na een paar maanden aan het licht kwam konden ze er niet meer omheen: ik moest worden uitgemest. Wat een opluchting! Dat ik daar niet eerder op was gekomen. Ik hoorde hen zeggen dat ze mij niet meer zo vol wilden laten worden en mij vaker zouden gaan schoonmaken.
Ik heb nu weer de ruimte en voel me stukken beter. De muizen zijn vertrokken, maar ze zijn bereid om terug te komen, mocht het weer nodig zijn.’

(fragment uit de onlangs verschenen autobiografie van Roald Billy-Pax)

 

Kasten kunnen te vol raken doordat we te weinig wegdoen en/of voortdurend veel spullen in huis halen. Bovenstaande foto kwam voorbij op Facebook (ik vind dat de fabrikant eigenlijk Buyer had moeten heten).
Uit onderzoek blijkt inderdaad dat vrouwen vaker ongecontroleerd kopen dan mannen. Vrouwen gaan vooral voor kleding, schoenen, sieraden, cosmetica en keukenbenodigdheden. Mannen hebben een voorkeur voor elektronische gadgets, gereedschap, sportmaterialen, autotoebehoren en antiquiteiten. De overeenkomst tussen deze spullen is dat ze te maken hebben met hoe je jezelf presenteert aan anderen.

Een beetje teveel shoppen, of koopverslaafd?

Te veel shoppen kan variëren van een luxeprobleem tot een verslaving of dwang. Mensen die dwangmatig kopen hebben een permanente en ongecontroleerde drang om te kopen, zonder dat ze deze spullen echt nodig hebben.
Herken je het volgende bij jezelf of bij iemand in je omgeving?

• Je denkt bijna voortdurend aan de spullen die je wilt kopen en kunt je niet verzetten tegen de drang om iets te kopen;
• je koopt geregeld spullen die je niet nodig hebt;
• je koopt meer dan je je financieel kunt permitteren;
• je besteedt veel meer tijd aan winkelen dan je wilde, het zorgt voor spanningen of het verstoort je sociaal of beroepsmatig functioneren;
• op het moment dat je iets koopt, voel je grote opwinding, maar die is ook snel weer weg;
• kort nadat je iets hebt gekocht, voel je je schuldig en ben je teleurgesteld over jezelf;
• je verstopt je aankopen voor anderen of liegt erover.

Troostkoper, impulsief of fanatiek

In de literatuur over problematisch koopgedrag worden verschillende types onderscheiden.
Er zijn troostkopers, die zich beter willen voelen door iets te kopen. Ze hechten belang aan de symbolische en emotionele betekenis van hun aankoop.
De impulsieve koper wordt  – op momenten van emotionele disbalans – overvallen door een wens om te kopen. Over de gevolgen van het kopen wordt op dat moment niet nagedacht. Ook zijn er de fanatieke kopers. Zij kopen bewust zoveel mogelijk dezelfde producten waar ze bovenmatig veel interesse in hebben. Zo komen er bijvoorbeeld tien bijna dezelfde mobiele telefoons het huis binnen.
Ten slotte onderscheidt men de ongecontroleerde koper. Deze heeft ook iets van de drie andere types en probeert door het kopen psychische spanningen te verminderen. Het gaat hierbij niet zozeer om het bezitten van de spullen.

Voor wie interesse heeft in meer achtergronden over koopverslaving:
Artikel van Guido Valkeneers en Anouk Huys van de universiteit van Leuven. 

In plaats van antishopping tabletten

De eerste stap naar verandering is het besef dat je problematisch veel koopt. Je kunt in een dagboek bijhouden hoe vaak je het doet en wat de gevaarlijke situaties zijn. Hoe kun je die vermijden?
Ga in het begin zo weinig mogelijk winkelen en hou je aan een strak budget. Zeg creditcards op en houd alleen een realistisch, vooraf bepaald bedrag in je portemonnee. Gebruik boodschappenlijstjes, stop een herinneringsbriefje (met daarop de vraag ‘heb ik dit echt nodig of wil ik het alleen maar hebben?’) in je portemonnee. Neem iemand in vertrouwen die je kunt bellen als je het moeilijk hebt of die je pinpas voor je beheert.
Las bedenktijd in voordat je iets koopt. Meld je af van digitale nieuwsbrieven met aanbiedingen. Ontwikkel andere manieren om met moeilijke emoties om te gaan
en probeer leuke dingen te doen in de tijd die je aan shoppen zou hebben besteed.
Zoek zo nodig begeleiding en behandeling voor je probleem.

 

Bron:  Koopverslaving of oniomanie – J.A.J. Boermans, J.I.M. Egger,
[Tijdschrift voor Psychiatrie 52 (2010) 1, 29-39]